BSL-links

Navigatie

Verklarende woordenlijst (IIEBM)

Deze verklarende woordenlijst is als bijlage opgenomen in het boek Inleiding in evidence-based medicine.

 

Indien u hier de gezochte term niet kunt vinden kunt u ook nog zoeken in de uitgebreidere woordenlijst van het Vlaamse tijdschrift voor evidence-based medicine Minerva:

 (http://www.minerva-ebm.be/articles/nl/woordenlijst/woordenlijst_ebm_26-4-04.htm)

 

Cursief geschreven woorden in de tekst van de woordenlijst verwijzen naar andere in de lijst opgenomen begrippen.

 

a-priorikans

Zie voorafkans.

a-posteriorikans

Zie achterafkans.

absolute risico

Zie risico.

absolute risicoreductie (Eng: absolute risk reduction; ARR)

Zie risicoverschil (RV).

absolute risicotoename (Eng: absolute risk increase; ARI)

Zie risicoverschil (RV).

achterafkans

In diagnostisch onderzoek: de kans op de vermoede ziekte of aandoening op basis van een diagnostische testuitslag.

achtergrondrisico

Kans (of risico) op de bestudeerde uitkomst in de referentiegroep (controlegroep). Ook baseline risk genoemd.

associatiemaat

Zie effectmaat.

attributief risico (Eng: attributable risk)

Zie risicoverschil (RV).

baseline risk

Zie achtergrondrisico.

betrouwbaarheid

Afwezigheid van toevallige fouten. Bijvoorbeeld betrouwbaarheid van een meetinstrument: een meetinstrument is betrouwbaar als verschillende onderzoekers onafhankelijk van elkaar (of dezelfde onderzoeker op verschillende momenten) met dit meetinstrument vrijwel dezelfde uitkomsten kunnen verkrijgen. Ook wel reproduceerbaarheid genoemd.

betrouwbaarheidsinterval

Het interval van numerieke waarden waarvan we met een bepaalde zekerheid mogen aannemen dat de werkelijke waarde van de parameter erin ligt. Zo geeft een 95%-betrouwbaarheidsinterval de waarden aan waarvan we met 95% zekerheid mogen aannemen dat de werkelijke waarde van de bestudeerde parameter zich ertussen bevindt. Hoe smaller het betrouwbaarheidsinterval, des te preciezer de schatting van de waarde van de bestudeerde parameter. Een betrouwbaarheidsinterval wordt smaller naarmate er meer patiënten in het onderzoek zijn opgenomen.

bias (vertekening)

Vertekening van de resultaten van een onderzoek door systematische fouten die worden veroorzaakt door de manier waarop een empirisch onderzoek is ontworpen en uitgevoerd. Zie ook selectiebias, informatiebias en confounding.

blinde beoordeling testuitslagen

In diagnostisch onderzoek: beoordeling van het resultaat van de ene test zonder kennis van het resultaat van de andere test (ofwel onafhankelijke (blinde) beoordeling van de indextest en de referentietest en vice versa).

blindering in effectonderzoek

Onwetendheid over de toegewezen behandeling in effectonderzoek.

Blindering van de patiënt: door blindering van de patiënt wordt voorkomen dat deze door zijn voorkeuren bewust of onbewust een grotere compliance met het protocol zal hebben en de uitkomstmeting daardoor wordt beïnvloed. Blindering van de patiënt wordt bereikt door de index- en referentiebehandeling uiterlijk identiek te maken (in de vorm van een placebobehandeling).

Blindering van de behandelaar: door blindering van de behandelaar wordt voorkomen dat deze, omdat hij op de hoogte is van de aard van de toegewezen behandeling, een bepaald enthousiasme zal uitstralen (selectieve vergroting van het placebo-effect) en zich in verschillende mate aan het onderzoeksprotocol zal houden (door bijvoorbeeld aan de placebogroep aanvullende behandeling aan te bieden).

Blindering van de effectbeoordelaar: door blindering van de effectbeoordelaar wordt voorkomen dat deze de effecten van index- en referentiebehandeling verschillend zal beoordelen.

Indien een onderzoek als dubbelblind wordt beschreven betreft dit meestal blindering van de patiënt en de effectbeoordelaar.

case-control study

Zie patiëntcontroleonderzoek.

clusterrandomisatie (Eng: cluster randomisation)

Randomisatie op het niveau van groepen individuen (in plaats van aparte individuen). Soms is het niet mogelijk om op patiëntniveau te randomiseren, omdat patiënten in de controlegroep dan ook onderdelen van de interventie zouden kunnen krijgen. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer een behandelaar of team na een uitgebreide training een probleem op een bepaalde manier moet aanpakken of wanneer de interventie een hele verandering van de zorg betekent.

cohort

Omschreven groep personen die in de tijd worden gevolgd.

cohortonderzoek

Een onderzoek, uitgaande van cohorten van personen met de te onderzoeken determinant (bijvoorbeeld aanwezigheid van of blootstelling aan een risicofactor, schadelijke stof, leefstijlfactor, persoonskenmerk) en personen zonder die determinant. De onderzochte personen worden gevolgd in de tijd en dienen bij aanvang vrij te zijn van de onderzochte uitkomst en nog in staat te zijn de onderzochte uitkomst te krijgen. Per groep wordt vastgesteld hoeveel personen gedurende de follow-upperiode de uitkomst krijgen. De sterkte van het verband tussen de determinant en de uitkomst kan worden uitgedrukt in een risicoverschil, een relatief risico of een oddsratio.

confounding

Vermenging van het effect van de bestudeerde determinant (centrale determinant) op de uitkomst door andere determinanten. Een determinant is een confounder als deze zelf een onafhankelijke determinant is van de bestudeerde uitkomst én gerelateerd is met de centrale determinant, maar geen tussenschakel is in de keten tussen de centrale determinant en de uitkomst. Een voorbeeld van confounding: het relatieve risico voor het optreden van een myocardinfarct van personen met factor X ten opzichte van personen zonder factor X bedraagt 4. Als het percentage rokers onder personen met factor X hoger is dan onder personen zonder die factor, wordt een deel van de myocardinfarcten bij personen met X mogelijk veroorzaakt door roken. Na correctie in de analyse voor roken bedraagt het relatieve risico 2. Roken, een determinant van myocardinfarct, is in dit voorbeeld een confounder voor de relatie tussen factor X en myocardinfarct.

constructvaliditeit

De mate waarin de uitslagen van scores op een meetinstrument consistent zijn met de resultaten van andere meetinstrumenten. Het te valideren meetinstrument moet hoog correleren met andere meetinstrumenten die hetzelfde construct beogen te meten (convergente validiteit) en laag correleren met meetinstrumenten die een ander construct beogen te meten (divergente validiteit).

controlegroep

Zie referentiegroep.

criteriumvaliditeit

De mate waarin de scores op een meetinstrument een adequate afspiegeling zijn van een gouden standaard.

cross-sectional study (transversaal onderzoek)

Zie dwarsdoorsnedeonderzoek.

cumulatieve incidentie

De proportie (het percentage) van nieuw optredende gebeurtenissen (bestudeerde uitkomsten, ziektegevallen) in een omschreven groep personen (cohort) in een vastgestelde periode. Hetzelfde als het risico of de kans op de onderzochte gebeurtenis.

doelmatigheid

Werkzaamheid van een interventie vastgesteld in interventieonderzoek onder voor de onderzochte groep gangbare dagelijkse omstandigheden (medische zorg). Deze vorm van evaluatie omvat zowel de effectiviteit als het gangbare gebruik in de praktijk. Zie ook effectiviteit.

dwarsdoorsnedeonderzoek

Onderzoek waarbij op één moment in de tijd de aan- of afwezigheid van zowel de determinant als de uitkomst wordt vastgesteld. Door het ontbreken van een volgorde in tijd tussen determinant en uitkomst is een dwarsdoorsnedeonderzoek doorgaans ongeschikt voor het vaststellen van causale relaties (behalve bij onveranderlijke determinanten die per definitie voorafgaan aan de uitkomst, zoals genetische factoren).

effectiveness

Zie doelmatigheid.

effectiviteit

Werkzaamheid van een interventie zoals vastgesteld in interventieonderzoek onder ideale omstandigheden. Geeft antwoord op de vraag: hebben patiënten meer baat dan schade van deze interventie indien ze de instructies volledig opvolgen (volledig compliant zijn)? Zie ook doelmatigheid.

effectmaat

Eenheid waarmee het effect in een groep wordt afgezet tegen dat in een andere groep. Voorbeelden van effectmaten (associatiematen) zijn het risicoverschil, het relatieve risico en de oddsratio.

efficacy

Zie effectiviteit.

evidencetabel

Overzicht van de belangrijkste studies die antwoord geven op een bepaalde uitgangsvraag; bedoeld om het gebruikte bewijsmateriaal overzichtelijk en compact weer te geven voor de lezer van de richtlijn.

fout-negatieven

In diagnostisch onderzoek: personen die op grond van de uitslag van een diagnostische test (indextest) ten onrechte als niet-ziek worden geduid.

fout-positieven

In diagnostisch onderzoek: personen die op grond van de uitslag van een diagnostische test (indextest) ten onrechte als ziek worden geduid.

gouden standaard

In diagnostisch onderzoek: de test waarvan algemeen wordt geaccepteerd dat deze de werkelijke situatie (ziek of niet-ziek) het beste weergeeft, ook wel referentietest genoemd. Bij afwezigheid van een gouden standaard wordt de te bestuderen indextest vaak vergeleken met de best voorhanden zijnde referentietest of wordt het langetermijnbeloop van de aandoening als referentietest gebruikt. Uitkomsten van onderzoeken kunnen onderling verschillen omdat verschillende referentietesten zijn gebruikt.

GRADE (Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation)

Werkgroep die zich bezighoudt met de stagering van wetenschappelijk bewijs (de ‘levels of evidence’) en aanbevelingen doet voor ordening van het wegingsproces van wetenschappelijk bewijs. Zie ook level of evidence.

inceptiecohort

Een cohort van personen die in hetzelfde stadium (doorgaans een zo vroeg mogelijk stadium) van de onderzochte aandoening of ziekte verkeren.

incidentie

Het aantal nieuw optredende gebeurtenissen (bestudeerde uitkomsten, ziektegevallen) in een populatie gedurende een vastgestelde periode. Zie ook cumulatieve incidentie.

indexgroep

In een randomised controlled trial of cohortonderzoek: de groep personen die de onderzochte interventie ontvangen of blootgesteld zijn.

indextest

In diagnostisch onderzoek: de test waarvan de eigenschappen worden onderzocht.

informatiebias

Vertekening van de effectschatting ten gevolge van systematische fouten bij het meten van de onderzoeksvariabelen (blootstelling, uitkomsten, confounders) waardoor misclassificatie optreedt. Misclassificatie kan non-differentieel zijn (onafhankelijk van de blootstellingsstatus of uitkomst; de proportie misclassificatie is dan in beide groepen hetzelfde) of differentieel (afhankelijk van de blootstellingsstatus of uitkomst; de proportie misclassificatie is dan in beide groepen ongelijk). Non-differentiële misclassificatie leidt altijd tot een onderschatting (verdunning of uitdoving) van het effect (de waarde van de schatting gaat in de richting van de neutrale waarde); het effect van differentiële misclassificatie kan beide kanten opgaan (onderschatting of overschatting van het effect).

inhoudsvaliditeit

De mate waarin de inhoud van een meetinstrument een adequate afspiegeling is van hetgeen het meetinstrument beoogt te meten.

interne consistentie

De mate waarin de onderdelen (items) van een meetinstrument met elkaar samenhangen.

intention-to-treat-analyse

Analyse waarbij de allocatie van de patiënt bij randomisatie wordt gerespecteerd. Iedere patiënt blijft in de oorspronkelijk door randomisatie gevormde groep, ongeacht de uiteindelijk toegepaste behandeling en eventuele co-interventies, non-compliance en dergelijke. Zie ook per-protocol-analyse.

klinimetrie

Methodologische discipline die zich richt op het meten van klinische verschijnselen. Klinimetrie houdt zich bezig met de kwaliteit van klinische metingen. Daarbij gaat het zowel om de kwaliteit van de meetinstrumenten als om de kwaliteit van de metingen zelf.

kwalitatief onderzoek

Onderzoek naar opvattingen, meningen, gedragingen en gevoelens van personen over een duidelijk omschreven onderwerp. Men hanteert daarbij kwalitatieve methoden, zoals interview, (participerende) observatie, focusgroep en Delphi-methode. De resultaten zijn niet te kwantificeren (in cijfers uit te drukken) en niet te generaliseren. Kwalitatief onderzoek is veelal gericht op het ontwikkelen van hypothesen of het begrijpen van onderliggende processen.

lead time bias

Vertekening van de overlevingsduur door vroegopsporing. Indien door screening een aandoening waarvoor geen afdoende behandeling bestaat eerder wordt gediagnosticeerd, dan zal het lijken of de prognose beter wordt. Dit is echter slechts schijn, omdat de ziekte gewoon eerder wordt ontdekt.

length-time bias

Indien de effecten van screening uit observationeel onderzoek moeten worden geschat, is de kans op vertekening groot en krijgt men te maken met de zogenoemde length-time bias. Length-time bias speelt een rol als men bijvoorbeeld de overleving vergelijkt van personen met een bij screening ontdekte tumor met die van personen bij wie de tumor buiten de screening werd opgespoord. Met screening worden namelijk relatief meer langzaam groeiende tumoren opgespoord. Deze tumoren hebben meestal een gunstiger prognose. De snelgroeiende tumoren worden vooral in de intervallen tussen twee screeningen opgespoord. De screening lijkt dus gezondheidswinst op te leveren, terwijl het verschil in overleving slechts een selectiefenomeen (bias) betreft.

level of evidence

Niveau van bewijsvoering om wetenschappelijke literatuur te graderen. Aan een onderzoek wordt meer zeggingskracht toegekend wanneer de opzet en uitvoering van het onderzoek zodanig zijn dat de kans op systematische vertekening van de uitkomst kleiner is. Zie ook GRADE.

likelihoodratio van een negatieve test (LR–)

In diagnostisch onderzoek: de verhouding tussen het vóórkomen van een negatieve uitslag op de indextest bij personen met de ziekte en het vóórkomen van een negatieve testuitslag bij personen zonder de ziekte. Een diagnostische test is informatiever naarmate de LR– dichter tot 0 nadert.

likelihoodratio van een positieve test (LR+)

In diagnostisch onderzoek: de verhouding tussen het vóórkomen van een positieve uitslag op de indextest bij personen met de ziekte en het vóórkomen van een positieve testuitslag bij personen zonder de ziekte. Een diagnostische test is informatiever naarmate de LR+ dichter tot oneindig nadert.

meta-analyse

Onderdeel van een systematische review waarin kwantificering van de resultaten plaatsvindt. In een meta-analyse worden de afzonderlijke resultaten gecombineerd tot één overallschatting van het effect van de bestudeerde interventie (poolen). Meta-analyse kan daarnaast tevens een analyse van bronnen van heterogeniteit bevatten.

MeSH-heading

Afkorting van Medical Subject Heading. Trefwoord waarmee elk artikel in de MEDLINE-databank is geïndexeerd en kan worden opgespoord. Deze index van meer dan 16.000 trefwoorden is hiërarchisch georganiseerd. De trefwoorden staan in onderling (hiërarchisch) verband en zijn bijeengebracht in een thesaurus.

negatief voorspellende waarde (VW–)

In diagnostisch onderzoek: achterafkans op de afwezigheid van ziekte bij een negatieve uitslag van de indextest, ofwel de proportie niet-zieken (vastgesteld met de referentietest of gouden standaard) onder de personen met een negatieve uitslag op de indextest. Wordt ook voorspellende waarde negatieve testuitslag genoemd.

neutrale waarde

Waarde van de parameter onder de nulhypothese. In vergelijkend onderzoek: de waarde van de associatiemaat waarvoor geen verschil in effect tussen de onderzochte groepen bestaat. In geval van het relatieve risico (RR) of de oddsratio (OR) is de neutrale waarde ‘1’; in geval van het risicoverschil (RV) of een (gestandaardiseerde) verschilscore is de neutrale waarde ‘0’. Zie ook betrouwbaarheidsinterval en significantie.

nulhypothese

Wetenschappelijke, toetsbare bewering over de werkelijkheid. Voorbeelden van nulhypothesen zijn: ‘De prevalentie van astma onder kinderen is 5%’, en: ‘Er is geen verschil in behandelingseffect tussen penicilline en placebo.’ Zie ook betrouwbaarheidsinterval, p-waarde en significantie.

number needed to harm (NNH)

Het aantal patiënten dat moet worden blootgesteld aan de schadelijke factor om één ongewenste gebeurtenis meer te krijgen dan zonder blootstelling zou zijn verkregen. Het NNH is afhankelijk van het achtergrondrisico.

number needed to treat (NNT)

Het aantal patiënten dat met de interventie dient te worden behandeld om één gewenste gebeurtenis meer te bereiken dan met de referentiebehandeling zou zijn verkregen. Het NNT is afhankelijk van het achtergrondrisico.

odds

De verhouding tussen de kans op het optreden van een bepaalde gebeurtenis en de kans op het niet-optreden ervan. Als de kans op genezing 0,75 (75%) bedraagt, dan is de kans op geen genezing 0,25 (25%) en de odds voor genezing 0,75/0,25 = 3. In woorden: de kans op genezing is drie keer zo groot als de kans op geen genezing.

oddsratio (OR)

De verhouding tussen twee odds. De oddsratio is een maat voor de sterkte van het verband tussen een determinant en een uitkomst. In cohortonderzoek geeft de oddsratio de verhouding weer van de odds voor de bestudeerde uitkomst (ziekte) van blootgestelden en die van niet-blootgestelden (ziekteoddsratio). In patiëntcontroleonderzoek geeft de oddsratio de verhouding weer van de odds voor blootstelling van patiënten en die van controlepersonen (blootstellingsoddsratio). Ziekteoddsratio en blootstellingsoddsratio verschillen weliswaar conceptueel, maar zijn mathematisch identiek. Bij zeldzame uitkomsten (waarvan doorgaans sprake is in patiëntcontroleonderzoek) is de oddsratio een goede schatter van het relatieve risico. Als de oddsratio gelijk is aan 1 (neutrale waarde) is er geen relatie of verschil in effect.

p-waarde

De kans op het vinden van een effect zoals in het onderhavige onderzoek onder de aanname dat de nulhypothese waar is. Voorbeeld: in een onderzoek wordt een risicoverschil (RV) gevonden van 0,25 (25%). De nulhypothese luidt ‘RV = 0’ en de gevonden p-waarde is 0,03. Dit betekent: als het RV in werkelijkheid 0 is (ofwel als er in werkelijkheid geen verschil in effect is tussen beide groepen), dan zal bij oneindig keer herhalen van een onderzoek zoals het onderhavige, in 3% van de gevallen een RV gevonden worden dat 0,25 of meer afwijkt van 0.

patiëntcontroleonderzoek

Een onderzoek uitgaande van personen met de bestudeerde ziekte of aandoening waarbij een controlegroep wordt geselecteerd van personen zonder de bestudeerde ziekte of aandoening. Vervolgens wordt per groep vastgesteld hoeveel personen in elk van deze groepen tevoren blootgesteld geweest zijn aan de bestudeerde determinant(en). De sterkte van het verband tussen de determinant en de uitkomst kan alleen worden uitgedrukt in een oddsratio.

patiëntenserie

Verslag van de karakteristieken en de uitkomsten van een serie vergelijkbare patiënten (ongecontroleerd onderzoek met weinig wetenschappelijke zeggingskracht).

per-protocol-analyse

Analyse waarbij alleen gegevens van patiënten worden gebruikt die volledig volgens het onderzoeksprotocol zijn behandeld. Zie ook intention-to-treat-analyse.

PICO-methode

Patients, Intervention, Control, Outcome; dit acroniem omschrijft de vier elementen van een specifieke klinische vraag waarmee kan worden gezocht in de wetenschappelijke literatuur, bijvoorbeeld via MEDLINE.

placebo

Interventie die volledig gelijk is aan de onderzochte interventie, maar dan zonder het werkzame gedeelte. Placebo wordt in een onderzoek aan deelnemers in de referentiegroep gegeven. In geval van medicatie dient het placebo dezelfde kleur, grootte, smaak en consistentie te hebben als het onderzochte middel. Ook bij niet-medicamenteuze interventies, zoals fysiotherapie, kan placebobehandeling worden gegeven.

poolen

Het combineren van de resultaten van afzonderlijke onderzoeken tot één overallschatting van het effect.

positief voorspellende waarde (VW+)

In diagnostisch onderzoek: achterafkans op de aanwezigheid van ziekte bij een positieve uitslag van de indextest, ofwel de proportie zieken (vastgesteld met de referentietest of gouden standaard) onder de personen met een positieve uitslag op de indextest. Wordt ook voorspellende waarde positieve testuitslag genoemd.

prevalentie

De proportie personen met een ziekte in een gemeenschap op een gegeven moment. Kan worden uitgedrukt voor één meetmoment (puntprevalentie) of voor een bepaalde periode (periodeprevalentie). In diagnostisch onderzoek is de puntprevalentie de voorafkans (a-priorikans) op de ziekte.

protocol

Een protocol heeft het karakter van een voorschrift of een in de praktijk gehanteerde regel, bijvoorbeeld als afgeleide van een richtlijn. Een protocol is specifiek en gaat vooral in op de organisatorische context op de werkvloer. Geven richtlijnen aan wat, in de meeste gevallen, moet worden gedaan, protocollen beschrijven hóe dat dient te geschieden. Protocollen worden daarom ook veelal lokaal geformuleerd, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen van de desbetreffende praktijk.

publicatiebias

Vertekening in meta-analyse van gepubliceerde onderzoeken die wordt veroorzaakt door het feit dat onderzoeken met positieve resultaten meer kans hebben om gepubliceerd te worden dan onderzoeken met negatieve resultaten. Het gevolg is dat in overzichten van gepubliceerde literatuur de behandeling positievere resultaten lijkt op te leveren dan in werkelijkheid het geval is.

randomisatie

Aselecte (willekeurige) toewijzing (allocatie). Bij randomisatie wordt gebruikgemaakt van het toeval om behandeling aan index- of referentiegroep(en) toe te wijzen. Randomisatie houdt in dat ieder individu (of andere eenheid van randomisatie) een gelijke kans heeft om elk van de interventies te krijgen. Een goede randomisatie maakt gebruik van bijvoorbeeld een tabel met aselecte getallen of een door een computer aangemaakte randomisatielijst. Er dient te worden gewaarschuwd voor andere methoden van toewijzing die als randomisatie worden beschreven, maar dit niet echt zijn: toewijzing op geboortedatum, volgorde van binnenkomst, dag van de week, maand van het jaar, dossiernummer. Deze methoden heten wel ‘quasi random’ en zijn minder valide. Zie ook clusterrandomisatie.

randomised controlled trial (RCT)

Onderzoek waarin het effect van een interventie wordt vergeleken met dat van een controle-interventie en waarbij aselecte toewijzing (randomisatie) van patiënten aan de indexgroep en referentiegroep wordt toegepast.

referentiegroep

In patiëntcontroleonderzoek: de groep personen zonder de bestudeerde ziekte of aandoening.

In een randomised controlled trial of cohortonderzoek: de groep personen die de onderzochte interventie niet ontvangen of niet blootgesteld zijn.

referentietest

Zie gouden standaard.

relatieve risico (RR)

Verhouding van de kans op de bestudeerde uitkomst in twee cohorten personen. Het relatieve risico is een maat voor de sterkte van het verband tussen een determinant en een uitkomst. In cohortonderzoek geeft het relatieve risico de verhouding weer van de kans op de bestudeerde uitkomst (bijvoorbeeld sterfte of ziekte) van blootgestelden en die van niet-blootgestelden per eenheid van de determinant. In randomised controlled trials geeft het relatieve risico de verhouding weer van de kans op de bestudeerde uitkomst in de indexgroep en die in de referentiegroep. Als het relatieve risico gelijk is aan 1 (neutrale waarde) is er geen relatie of verschil in effect.

relatieve risicoreductie (RRR)

De proportionele verlaging van het risico op een ongunstige uitkomst door toepassing van de interventie.

reproduceerbaarheid

De mate waarin een meting vrij is van meetfouten.

responsiviteit

Het vermogen van een meetinstrument om veranderingen in de tijd te kunnen meten in het construct dat het meetinstrument beoogt te meten.

reviewbias

In diagnostisch onderzoek: vertekening van de karakteristieken van een indextest door niet-onafhankelijke beoordeling van indextest en referentietest. In de regel zal dit leiden tot een kunstmatig hogere overeenstemming van de indextest met de referentietest.

richtlijn

Een document met aanbevelingen, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg, berustend op systematische samenvattingen van wetenschappelijk onderzoek en afwegingen van de voor- en nadelen van de verschillende zorgopties, aangevuld met expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers. Zie www.regieraad.nl/fileadmin/www.regieraad.nl/publiek/Downloads/Gericht_op_richtlijnen/Richtlijn_voor_Richtlijnen_herziene_versie.pdf.

risico

De kans op het krijgen van de bestudeerde uitkomst (sterfte, ziekte, aandoening of behandelingsresultaat). Als de bestudeerde uitkomst in een groep van honderd patiënten 25 keer wordt waargenomen, is het risico (of de kans) op de uitkomst 0,25 (ofwel 25%).

risicoverschil (RV)

Het absolute verschil van de kansen op de uitkomst tussen twee groepen personen (index- en referentiegroep of blootgestelden en niet-blootgestelden). Ook bekend onder de namen absolute risicoreductie (absolute risk reduction;ARR), absolute risicotoename (absolute risk increase; ARI) en attributief risico (attributable risk).

selectiebias

Vertekening van de effectschatting ten gevolge van systematische fouten bij de selectie van onderzoeksdeelnemers. Selectiebias in patiëntcontroleonderzoek: de kans om als blootgestelde of niet-blootgestelde in het onderzoek terecht te komen is afhankelijk van de ziektestatus. In cohortonderzoek: de kans om als zieke of niet-zieke in het onderzoek terecht te komen is afhankelijk van de blootstellingsstatus.

sensitiviteit

In diagnostisch onderzoek: de proportie terecht-positieven onder de zieken, ofwel de proportie van de groep personen met de onderzochte ziekte die met de indextest terecht als ziek wordt geclassificeerd.

significantie

Situatie waarin de p-waarde lager is dan een vooraf vastgestelde onbetrouwbaarheidsdrempel (doorgaans 5%) of indien het betrouwbaarheidsinterval de neutrale waarde van de bestudeerde parameter niet omvat.

specificiteit

In diagnostisch onderzoek: de proportie terecht-negatieven onder de niet-zieken, ofwel de proportie van een groep personen zonder de onderzochte ziekte die met de indextest terecht als niet-ziek wordt geclassificeerd.

spectrum (ziektespectrum)

Verscheidenheid van ziektekenmerken van de onderzochte personen.

spectrumbias

In diagnostisch onderzoek: vertekening van de resultaten betreffende de karakteristieken van een diagnostische test ten gevolge van een onjuiste keuze van het spectrum van zieken en/of niet-zieken. De waarde van een indextest dient te zijn onderzocht in een relevante groep van zieken (‘indicated population’) zoals men die in de praktijk ook zou tegenkomen. Personen met de ziekte kunnen verschillen in ernst, stadium of duur van de ziekte. Als in een bepaalde setting normaliter sprake is van een breed ziektespectrum en de indextest wordt onderzocht bij louter personen met relatief ernstiger aandoeningen, dan zullen de diagnostische eigenschappen van de indextest (sensitiviteit, specificiteit, likelihoodratio) doorgaans worden overschat. De groep niet-zieken moet bij voorkeur bestaan uit personen met aandoeningen die in de praktijk makkelijk tot verwarring met de onderzochte aandoening leiden. Hierdoor zal de proportie fout-positieven toenemen (hetgeen in de dagelijkse praktijk ook het geval zou zijn), waardoor de specificiteit afneemt.

systematische fout

Fout die wordt gemaakt bij het ontwerp en de uitvoering van een empirisch onderzoek. Systematische fouten leiden tot vertekening van de resultaten. Zie ook bias, selectiebias, informatiebias en confounding.

systematische review

Een systematisch overzicht van de stand van zaken van medisch-wetenschappelijk onderzoek. Een systematische review is transparant en reproduceerbaar en gaat uit van een expliciete vraagstelling, een uitgebreide zoekstrategie, een ondubbelzinnige procedure voor selectie van onderzoeken, een beoordeling van de kwaliteit van de onderzoeken en een transparante presentatie van de resultaten.

terecht-negatieven

In diagnostisch onderzoek: personen die op grond van de uitslag van een diagnostische test (indextest) terecht als niet-ziek worden geduid.

terecht-positieven

In diagnostisch onderzoek: personen die op grond van de uitslag van een diagnostische test (indextest) terecht als ziek worden geduid.

transversaal onderzoek

Zie dwarsdoorsnedeonderzoek.

type-I-fout

Het ten onrechte verwerpen van een juiste nulhypothese. De kans hierop is a, welke door de onderzoeker wordt bepaald (meestal wordt a, ofwel de onbetrouwbaarheidsdrempel, op 5% gesteld).

type-II-fout

Het ten onrechte niet verwerpen van een onjuiste nulhypothese. De kans hierop is b, welke onder meer afhangt van de steekproefomvang. Hoe groter de steekproef, des te kleiner b en des te kleiner de kans op een type II fout.

uitkomstbias

Selectieve publicatie van uitkomsten. Uitkomsten met een niet-significant effect van de interventie worden vaak (bewust of onbewust) buiten de rapportage gelaten, hetgeen kan leiden tot een overschot aan ‘positieve’ uitkomsten in de review en daardoor tot een overschatting van het effect. Zie ook publicatiebias.

validiteit

Afwezigheid van systematische fouten. Bijvoorbeeld validiteit van een meetinstrument: een meetinstrument is valide als het werkelijk meet, wat het beoogt te meten.

verification bias

Zie work-up bias.

voorafkans

In diagnostisch onderzoek: de kans op de vermoede ziekte of aandoening in de onderzochte groep personen. Is hetzelfde als de prevalentie van de ziekte of aandoening.

voorspellende waarde negatieve testuitslag (VW–)

Zie negatief voorspellende waarde (VW–).

voorspellende waarde positieve testuitslag (VW+)

Zie positief voorspellende waarde (VW+).

work-up bias

In diagnostisch onderzoek: vertekening van de karakteristieken van een indextest door selectieve toepassing van de referentietest (‘opwerking’).

Onderdeel van